zaterdag 4 juli 2015

Koufonissi zien en zwijgen.



Koufonissi, dag drie. Ik word wakker met een geluid dat naar een snurkje neigt (die gekke Griekse vogels toch) en een reuzegoed idee. 'Wat denk je' vraag ik van zodra hij door dezelfde inheemse vogel uit dromenland wordt gehaald, 'van een zine over deze reis. Ik noem hem 'Koufoniszine', want woordspelingen zijn altijd grappig. En de subtitel, die luidt: 'Het antwoord op al uw vragen.' Vervolgens worden de vragen opgesomd die een reiziger standaard krijgt bij zijn thuiskomst: 'Wat heb je allemaal gedaan? Goed weer gehad? Waren de mensen vriendelijk? En het eten lekker?' Dan verzamel ik vanaf nu alles wat we meemaken, krijgen en vinden. Schelpen, bloemen, fruitstickers, kassabonnen, anekdotes, regels uit de boeken die we lazen en natuurlijk veel mopjes. Samen met de wegwerpfoto's maak ik er zo'n tien pagina's tellend boekje van. Kunnen we dat uitdelen aan alle belangstellenden. Klinkt goed, toch?' Hij zwijgt, te lang. Blijkbaar is die zoveelste woordgrap van me ook na negen uur slaap vermoeiend. Ik maak van de stilte gebruik om alle vliegtuigtickets, routebeschrijvingen en bonnetjes van de voorbije dagen bijeen te scharrelen. Maak flapjes op pagina's met zinnen die ik zelf had willen bedenken. En vraag: 'Hoe eindigde die geniale mop ook weer die ik gisteren aan dat strandje met keien bedacht?'

De geschiedenis herhaalt zich bijna jaarlijks. Weg van huis ontstaat er tijdens het eerste kwart van de reis nog wel eens een zeldzame poging tot creativiteit. Het is een naïeve nawee van het dagelijkse leven. Een illusie die, gevoed door zorgeloosheid en vitamine D, het daglicht ziet maar met het verstrijken van de tijd langzaam verschroeit. Om uiteindelijk, wanneer het einde van de rit en het thuisland in zicht zijn, met een spijtige zucht weer opgeborgen te worden. Sommige belevenissen zijn het navertellen niet waard. Je houdt de glans van de herinneringen beter intact door ze zorgvuldig te bewaren voor zij die erbij waren. Om andermans jaloezie te beperken. En eigen napret te verhevigen. Alleen daarom hou je de officiële antwoorden beperkt ('Och, van alles.' en 'Ja hoor!') en je onderlinge gekonkelfoes uitgebreid.

Over hoe elke dag een primitief feest werd dankzij dingen die nooit gaan vervelen (de natuur als wekker, yoghurt van drie dieren, zelfgehakte nootjes en elke vorm van beweging belonen met bier en oreganochips). Over hoe honger de dagen indeelde. En als je begint, zal het wel smaken. Over hoe we lokale gerechten imiteerden op een bescheiden kookplaatje. Aanvankelijk, want bediend worden is leuker en het origineel altijd beter. Over die keer dat we naar onze witte woonst met blauwe raampjes terugkeerden, zwalpend als de zeebonk die de kilo vis in onze magen eigenhandig buit had gemaakt. Of die keer dat we van walking dinner deden in het dorp, met alle lokale vedettes als monkelende toeschouwers. Over hoe een 'Yes' ook een prima 'Hello' kan zijn. En die strofe schlagerhit een dekmantel voor een wc-bezoek. Dat we simultaan droomden over koning Boudewijn (hij over zijn auto, ik over zijn hartaanval) en ons huisbaasje begroetten met de titel van zijn website. Hoe het onkruid er mooier was dan hier. De hitte draaglijker. De zee blauwer. Het zicht adembenemender. En de doorsnee dorpsbewoner sympathieker. Maar geen buitenstaander heeft daar wat aan, tenzij heimwee naar het onbekende. Daarom hebben we het alleenrecht over de twee heertjes en de koffer op die veel te kleine scooter. Over het vrolijke terugboeren naar een Aziaat. En over hoe we de irritante deelstaatgenoot aan de tafel vol unhappy singles achter ons in een cryptisch taaltje bekritiseerden ('No wonder he doesn't get from the street.').

Koufonissi, dag tien. Ik word wakker met een geluid dat naar een zenuwaandoening leidt (die vreselijke wekkers toch) en een prematuur ellendig gevoel. Hij is duidelijk nog te diep verwikkeld in de pointe van zijn droom over Griekse vogels. Ik maak van het moment gebruik om wat op het nachtkastje naast me ligt te verfrommelen: vliegtuigtickets, routebeschrijvingen en bonnetjes van de voorbije dagen. De stapel boeken met flapjes en zand aan de bladzijden, de stenen, schelpen en het plastic zakje met onkruid stop ik in mijn rugzak. We hebben nog anderhalve dag in petto, maar het afscheid is nu al begonnen. In de haven wacht de veerboot op zijn passagiers, aan het thuisfront onze fans op hun verslag. We hebben het niet afgesproken, maar ik weet precies wat ze te horen zullen krijgen. 'Och, van alles.' en 'Ja hoor!' Voor de details moeten ze zelf ooit maar eens tot hier komen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen