maandag 3 september 2012

Kenopsia.

 n. the eerie, forlorn atmosphere of a place that’s usually bustling with people but is now abandoned and quiet—a school hallway in the evening, an unlit office on a weekend, vacant fairgrounds—an emotional afterimage that makes it seem not just empty but hyper-empty, with a total population in the negative, who are so conspicuously absent they glow like neon signs. (the dictionary of obscure sorrows)
byron bay, australia by sweet bird of youth
robert kinmont - 'my favorite dirt roads' (1969)

Weemoed is een vreemde hersenkronkel. De mijne kent pieken en dalen, maar steekt al te vaak (en vooral: ongepast) de kop op. Vreugdevragende ogenblikken beantwoord ik met een angstwekkend overtuigende inkeer in mezelf, magische stiltes eindigen dan weer in mineur dankzij mijn pijnlijk nuchtere opmerkingen. Alsof ik bang ben voor de waarheid. Bovendien ben ik geen interessant studieobject voor psychologen. De analyse heb ik namelijk zelf al gemaakt. Of misschien daarom: net wel? Soms verlang ik naar de ultieme onbezonnenheid, terwijl ik ergens ook besef dat die vergevorderde dromer in mij de moeite waard is om te blijven koesteren. Al vergaloppeer ik me soms dramatisch, wentel me een ongeluk in dat gevoel, in plaats als een bewust mens wakker te liggen van wereldproblematieken of de crisis. En dan vervloek ik mezelf niet vaker te reizen, weg te zijn, voluit te gaan, wat meer te leven in plaats van te denken. Maar ineens is er weer dat besef: dat dat ingewikkelde hoofd van me er altijd zal zijn, waarheen ik ook vlucht. Dat elk desolaat landschap wereldwijd zal worden ingevuld door wondere parels van gedachtes of ruwe inzichten. Dat het dus ook al de moeite loont te verdwalen in het uitzicht vanuit het dichtstbijzijnde raam, in beelden uit een museum of in rondwarrelende dagdromen. Zo onbenoembaar soms, als was het pure poëzie. En dan, cher lecteur, is die semi-treurnis van me een waarachtig mooi cadeau.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen